Noot bij Hoge Raad in Organik v Dow Chemical: het achterhalen van geheim bewijs van een geheime inbreuk op een bedrijfsgeheim

Juridisch gelijk behoren te hebben is één ding, maar om feitelijk gelijk te krijgen is bewijs nodig. Met name bij het procederen over bedrijfsgeheimen is dat bewijs vaak lastig boven tafel te krijgen. Een probleem bij het procederen over bedrijfsgeheimen is dat het bewijs van de gestelde inbreuk op andermans bedrijfsgeheim meestal verweven is met bedrijfsgeheime informatie van de beweerdelijke inbreukmaker, die op zijn beurt ook aanspraak kan maken op bescherming van zijn (beweerdelijk wel) rechtmatig verworven bedrijfsgeheimen. Beide partijen hebben er dus belang bij om bepaalde voor de procedure essentiële informatie ‘onder de pet’ te kunnen houden, maar als niet alle feiten voor beide partijen – en de rechter – kenbaar zijn, kan het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM in het gedrang komen.

Het is dan aan de rechter om als een volleerd koorddanser het evenwicht tussen deze conflicterende rechtsbelangen te vinden en ervoor te zorgen dat het recht zijn loop kan hebben.Met dit arrest van 28 september 2018 bekrachtigt de Hoge Raad grotendeels het door het Hof Den Haag geschreven draaiboek voor het behandelen van de vraag of en in welke mate inzage in andermans bedrijfsgeheimen gegeven kan worden om te beoordelen of er een inbreuk op de eigen bedrijfsgeheimen gepleegd is. Daarmee wordt de feitenrechter voorzien van de nodige handvatten en richtingaanwijzers voor het vermijden van procesrechtelijke uitglijders. En dat in een zaak over diefstal van bedrijfsgeheimen en het vernietigen van bewijs waarvan de feiten een volledige aflevering van ‘Crime Scene Investigation’ kunnen dragen.

Noot in Ars Aequi, september 2019, p. 687 - 693