X
Bericht verzonden!
Message sent!

2007 Beautypartners.nl


IEPT20070117, Hof Den Bosch, Domeinnaam Beautypartners.nl

 

Voor wat betreft de overdraagbaarheid van (het recht op) een domeinnaam is het arrest niet overtuigend. Het Hof overweegt eenvoudigweg dat de gebruikte domeinnaam overdraagbaar zal zijn omdat de SIDN in de praktijk aan overdracht haar medewerking verleent. Die praktijk mag zo zijn, maar als je, zoals het Hof (en eerder de voorzieningenrechter), ingaat op de vraag of een domeinnaam een vermogensrecht is, dan dien je juridisch bezien de punten wel op de “i” te zetten.
Waar het Hof spreek over “de domeinnaamregistratie” c.q. “de domeinnaam” als vermogensrecht, bedoelt het Hof het recht op die domeinnaam c.q. het recht op de registratie daarvan. Om de vraag of dat recht overdraagbaar is te beantwoorden rijst inderdaad de vraag of daarbij sprake is van een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW.
Dat het Hof die vraag of sprake is van een vermogensrecht bevestigend beantwoordt - anders dan de voorzieningenrechter - is op zich niet zo opmerkelijk, nu moeilijk ontkend kan worden dat een (recht op) een domeinnaamregistratie er toe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, zoals artikel 3:6 BW als maatstaf voor een vermogensrecht aanlegt. Voor het kunnen kwalificeren van een (subjectief) recht als een vermogensrecht hanteert artikel 3:6 BW immers een drietal - alternatieve - criteria: (a) of het recht overdraagbaar is, dan wel (b) of het recht er toe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, dan wel (c) verkregen is in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.
Belangrijker is vervolgens de vraag om wat voor soort vermogensrecht het gaat, aangezien artikel 3:83(1) BW leert dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrecht overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich daartegen verzet, terwijl voor "alle andere vermogensrechten" noodzakelijk is dat een wettelijke bepaling kan worden aangewezen die bepaalt dat het betreffende vermogensrecht overdraagbaar is.
Tegen die achtergrond speelt in de literatuur de discussie of een recht op een domeinnaam gezien moet worden als een vorderingsrecht op de domeinnaam uitgevende instantie - wat SIDN is voor “.nl” domeinnamen - of dat sprake is van een ander recht dan een vorderingsrecht. Bij dat laatste zou gedacht kunnen worden aan een ongeschreven intellectueel eigendomsrecht een op een domeinnaam dat men ook aan derden kan tegenwerpen. Op de merites van dat debat ga ik hier niet nader in, maar volsta ik met een verwijzing wat daarover reeds eerder geschreven is: Van Engelen, Onverkoopbare vermogensrechten, 2003, nr. 3.12.2, waar wordt ingegaan op de discussie tussen onder meer Falkena, Gilhuis en Wefers Bettink (NJB 2001, p. 841); Chavannes (NJB 2001, p. 1165); Boukema/Krans (NJB2001, p. 1614); Reeskamp (Computerrecht 2001, p. 195) en Bakels (NJB 2002, p. 339).
Het probleem dat door dit debat wordt aangescherpt is dat als men een recht op een domeinnaam niet wil zien als een vorderingsrecht op een domeinnaamuitgevende instantie, maar als een ongeschreven IE-recht, dat recht daarmee tevens vermogensrechtelijk niet overdraagbaar is, aangezien artikel 3:83(3) BW voor dergelijke rechten voorschrijft dat een wettelijke bepaling moet kunnen worden aangewezen die in hun overdraagbaarheid voorziet. Die wettelijke bepaling ontbreekt en daarmee is het antwoord op die vraag gegegeven. Kwalificeert men het recht op een domeinnaam echter als (mede) een vorderingsrecht op een domeinnaamuitgevende instantie, dan is daarmee tevens gegeven, gelet op artikel 3:83(1) BW, dat dit vorderingsrecht wel overdraagbaar is, nu noch de wet, noch de aard van het zich daartegen verzet. Nu die overdraagbaarheid bovendien niet contractueel is uitgesloten in de (algemene) voorwaarden van een SIDN - wat op grond van artikel 3:83(2) BW mogelijk zou zijn - is dat vorderingsrecht overdraagbaar.
Vreemd genoeg gaat het Hof met geen woord op deze kwesties in en volstaat het met de overweging dat SIDN aan overdracht meewerkt. Dat getuigt van praktisch inzicht, maar doet niet helemaal recht aan hoe deze kwestie vermogensrechtelijk behandelt zou dienen te worden, zeker nu het hof de voorzieningenrechter op dit punt corrigeert.
Deze detailkritiek daargelaten, kan met de uitkomst echter zonder meer worden ingestemd. Rechten op domeinnamen vertegenwoordigen in het economisch verkeer een duidelijke waarde en dienen als vermogensbestanddeel door een rechthebbende in beginsel te gelde gemaakt te kunnen worden. Overdracht - ofwel verkoop - is daarvoor een zeer efficiente mogelijkheid die door het recht geboden wordt. Keerzijde van die medaille is wel dat derden op een dergelijk vermogensbestanddeel ook beslag dienen te kunnen leggen om aldus veilig te stellen dat door hen gepretendeerde vorderingen op de domeinnaamrechthebbende (ook) op dat vermogenbestanddeel verhaald kunnen worden.

 

Van eenzelfde praktisch inzicht getuigt het arrest van het Hof Amsterdam van 19 oktober 2006 in de zaak Quickprint. Hoewel de kwestie kennelijk niet aan de orde was gesteld veranderde het Hof het gevraagde bevel tot 'overdracht' van de tenaamstelling van de domeinnaamregistratie in een bevel tot meewerken aan de tenaamstelling op naam van de eiser.

 

 

Dick van Engelen

Utrecht, April 2007

 

 

 

 



    terug         Tell-a-Friend

     

     

    Print    




    Ads door IEPT