2006 Bettacare v H3 Products
IEPT20060921, Rb Den_Haag, Bettacare v H3 Products
De Haagse Voorzieningenrechter stelt zich in dit vonnis - na het arrest van het Europese Hof van Justitie in GAT v LuK van 13 juni 2006 - uitdrukkelijk op het standpunt dat zijn grensoverschrijdende bevoegdheid om bij wege van voorlopige voorziening een grensoverschrijdend verbod uit te spreken niet wordt aangetast doordat in deze procedure een nietigheidsverweer wordt gevoerd.
Het komt mij voor dat dit oordeel de strekking en reikwijdte van het GAT/LuK-arrest miskent. De overweging dat met een voorlopige inschatting van de kansen van een nietigheidsverweer in kort geding niets definitiefs over de geldigheid van het buitenlandse octrooi wordt vastgesteld overtuigt wat mij betreft niet. In GAT/LuK overweegt het Hof dat de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter over de geldigheid van een registratie van een octrooi geldt ongeacht het procedurele kader waarin de geldigheidsvraag wordt opgeworpen. Bij zijn argumentatie overweegt de Europese rechter (r.o. 29) onder meer dat wanneer andere gerechten dan die van de staat die het octrooi heeft verleend, incidenteel uitspraak doen over de geldigheid van dit octrooi, dan eveneens het gevaar van onverenigbare beslissingen zou toenemen, wat het Executieverdrag juist wenst te vermijden. Het lijkt mij dat de bedoeling van het Hof duidelijk is. Als de nietigheid van het octrooi, op welke wijze dan ook, aan de orde is, is dat een zaak waar enkel de op grond van het EEX-Verdrag c.q. de EEX-Verordening exclusief bevoegde nationale rechter zich over dient uit te laten. Buitenlandse rechters dienen daar niet in te treden. Dat betekent naar het mij voorkomt dat er ook geen ruimte is dat indirect bij wege van voorlopig oordeel over de kans van slagen van dat nietigheidsverweer te doen. Dat mag tot onbevredigende uitkomsten kunnen leiden, maar dergelijke imperfecties zijn inherent aan het Europese systeem van jurisdictieverdeling en brengen niet met zich dat een andere rechter dan maar kan ingrijpen. Dat overwoog het Europese Hof ook in het arrest Turner v Grovit van 27 april 2004, waar het een Engelse ‘anti-suit injunction’ tegen het aanhangig maken van procedures in een buitenlandse jurisdictie die apert onbevoegd leek en te kwader trouw aanhangig zouden zijn gemaakt terugfloot. Praktisch gesproken kan het de Nederlandse voorzieningenrechter ook moeilijk worden nagedragen dat hij eventueel niet slagvaardig zou (kunnen) optreden tegen een mogelijke inbreuk in Duitsland. Er zijn nog steeds (nationale) grenzen aan wat men van de nationale rechter in redelijkheid mag verlangen.
In bodemzaken lijkt de Haagse rechter GAT/LuK wel zonder aarzelingen te volgen, zoals blijkt uit het vonnis van 9 augustus 2006 in de zaak Sisvel v. Sandisk
IEPT20060809, Rb Den Haag, Sisvel v Sandisk
IEPT20060713, HvJEG, GAT v Luk
terug Tell-a-Friend











