2004 Bedstede
Overdraagbaarheid Gemeenschapsmodel en wat is een akte?
IEPT20040707, Rb Assen, Bedstede
Goederenrechtelijk lijkt er het nodige af te dingen op wat de Voorzieningenrechter overweegt ter zake van (a) de eisen die aan een akte van overdracht van auteurs- en modelrechten gesteld dienen te worden en (b) de vraag of een gemeenschapsmodelrecht overdraagbaar is.
Akte
De rechter oordeelt dat een brief van de ontwerper, welke brief in zijn optiek géén overdracht beoogt, maar waarin enkel een eerdere afspraak tot overdracht wordt bevestigd, toch als akte van overdracht kan kwalificeren. Daarbij merkt de rechter op dat artikel 2(2) Aw slechts eisen aan de akte zou stellen alleen maar om de auteursrechthebbende ontwerper te beschermen. Nu daarvoor hier geen reden is, aangezien die ontwerper immers zelf aangeeft geen rechthebbende meer te (willen) zijn, zou daarom een wat losse benadering gekozen kunnen worden. Daar lijkt de redenering op neer te komen.
Dat lijkt mij onjuist. De eis dat voor een overdracht van een auteursrecht een levering bij akte nodig is vloeit niet alleen voort uit artikel 2(2) Aw maar ook uit artikel 3:95 BW. De ‘toegevoegde waarde’ van artikel 2(2) Aw is dat daarin wordt aangegeven dat die akte in beginsel niet te ruim zou mogen worden uitgelegd, doordat bepaald wordt dat de overdracht alleen die bevoegdheden omvat die uitdrukkelijk in de akte zijn vermeld of uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeien. Dat ziet dus op de uitleg van wat wordt overgedragen c.q. de omvang van de overgedragen rechten, maar doet op geen enkele wijze afbreuk aan de eis dat de voor die overdracht vereiste levering - hoe ruim of beperkt ook uit te leggen - gewoon bij akte dient plaats te vinden. Levering is een vereiste voor overdracht op grond van artikel 3:84(1) BW en artikel 2(2) Aw, zoals ook een geldige titel voor overdracht vereist is. Zoals de voorzieningenrechter de inhoud van de brief verstaat, bewijst die brief het bestaan van een titel - de mondelinge afspraak tot overdracht - en dat bij die gelegenheid de overdracht zou zijn aanvaard, maar rept die brief kennelijk niet over het bestaan van een schriftelijk stuk waarmee die rechten geleverd zijn. In de brief zelf worden die rechten kennelijk ook niet (alsnog) geleverd, zodat de brief per saldo slechts een ‘getuigenverklaring’ oplevert van het feit dat zou zijn overgedragen, maar niet van het bestaan van de daarvoor vereiste akte. Als het bestaan van de akte niet vast staat kan niet worden geoordeeld dat de voor overdracht vereiste leveringshandeling zou hebben plaatsgevonden en daarmee is de goederenrechtelijke overdracht eenvoudigweg niet tot stand gekomen. Artikel 2(2) Aw maakt dat niet anders.
Bovendien is het onjuist om hier enkel gewicht toe te kennen aan de belangen van de ontwerper die wil overdragen. De eis dat voor levering een akte nodig is, is een algemeen goederenrechtelijk vereiste dat er onder meer ook toe strekt de belangen van bijvoorbeeld de schuldeisers van de rechthebbende te beschermen tegen achteraf geconstrueerde frauduleuze leveringen, wellicht voorafgaand aan een faillissement. Dat geldt mutatis mutandis vervolgens evenzeer voor de koper (en diens schuldeisers). Er zijn dus meer belanghebbenden bij de vraag wat wel of niet op enig moment tot het vermogen van de ontwerper behoort en het goederenrecht beoogt al die belangen het volle pond te geven. Dan gaat het niet aan om met die vermogensrechtelijke eisen maar wat luchthartig om te springen omdat de ontwerper zelf aangeeft dat in zijn perceptie is overgedragen c.q. dat hij daar vrede mee heeft.
De rechter past dezelfde redenering ook toe ter zake van de voor modelrechtelijke overdracht vereiste levering en daarvoor geldt het bovenstaande evenzeer.
Overdraagbaarheid gemeenschapsmodelrecht?
De voorzieningenrechter overweegt ook dat een Gemeenschapsmodelrecht overdraagbaar is. Op zich is dat oordeel toe te juichen, aangezien een andersluidende uitkomst geen zinnig vermogensrechtelijk belang dient. Voor verdere bespiegelingen daarover verwijs ik naar mijn boek Onverkoopbare vermogensrechten (Kluwer, 2003). De vraag rijst echter of dit oordeel stand kan houden. Uit het vonnis lijkt het dat voor het niet overdraagbaar zijn van het Gemeenschapsmodelrecht kennelijk alleen als grond is aangevoerd dat de Gemeenschapsmodelverordening (‘GMoV’) geen bepaling kent die aangeeft dat een Gemeenschapsmodelrecht overdraagbaar is. Dat lijkt dan gepresenteerd te zijn als een zaak van - alleen maar - Europees Gemeenschapsmodelrecht. Daarbij is kennelijk niet aangegeven dat naar Nederlands vermogensrecht op grond van artikel 3:83(3) BW voor de overdraagbaarheid van een IE-recht noodzakelijk is dat er een wettelijke bepaling is die bepaalt dat het recht overdraagbaar is. Doel en strekking van die eis van artikel 3:83(3) BW komen in het vonnis in ieder geval niet aan bod.
De rechter oordeelt dat artikel 27(1) GMoV bepaalt dat een Gemeenschapsmodelrecht vermogensrechtelijk wordt beschouwd als een nationaal modelrecht van de lidstaat waar de rechthebbende woonplaats heeft. Vervolgens overweegt de rechter dat artikel 13 BTMW bepaalt dat het modelrecht kan overgaan en daarmee zou de kous af zijn. Vooropstellend dat ik dat standpunt sympathiek vindt en het op zich graag ondersteun, rijst toch de vraag of deze ‘Assense zwaluw’ een voldoende stevige basis biedt om er op te kunnen vertrouwen dat dit probleem nu is opgelost en in beroep of cassatie stand zou houden. Daarbij past naar mijn oordeel de nodige twijfel.
Allereerst bepaalt artikel 27(1) GMoV niet eenvoudigweg dat een Gemeenschapsmodelrecht vermogens-rechtelijk wordt beschouwd als een nationaal modelrecht. Artikel 27(1) GMoV bepaalt dat - tenzij in die verordening anders aangegeven - een gemeenschapsmodelrecht ‘als deel van het vermogen in zijn geheel en voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap wordt beschouwd als een nationaal modelrecht van de lidstaat’(etc.). Daarmee wordt duidelijk dat artikel 27(1) vooral beoogt een internationaal privaatrechtelijke rechtskeuze te verschaffen. Daarmee wordt allereerst aangegeven dat het gemeenschapsmodelrecht ter zake van alle lidstaten slechts door het vermogensrechtelijk regime van één lidstaat wordt beheerst. Daarmee wijkt het Gemeenschapsmodelrecht (evenals het Gemeenschapsmerkenrecht en -kwekersrecht) af van het systeem dat het Europees Octrooiverdrag voor Europese octrooiaanvragen kent. Die worden namelijk steeds beheerst door het vermogensrecht van de relevante lidstaten en niet slechts door één nationaal vermogensrecht (art. 74 EOV). Vervolgens regelt artikel 27 GMoV dan hoe men dat toepasselijke nationale vermogensrecht kan vaststellen en geeft daarbij met name ook nog aan dat slechts het vermogensrecht van een lidstaat kan zijn. Indien namelijk uiteindelijk het recht van een niet-lidstaat van toepassing zou zijn, bepaalt artikel 27(4) GMoV dat per saldo Spaans recht van toepassing is. Artikel 27 GMoV bepaalt dus niet zozeer dat een Gemeenschapsmodel gelijkgesteld moet worden met een nationaal modelrecht, maar regelt vooral welk nationaal vermogensrecht op het Gemeenschapsmodel van toepassing is en dat dit slecht één nationaal vermogensrecht - en dan bovendien van een lidstaat - kan zijn.
Het Nederlandse vermogensrecht vereist dan ingevolge artikel 3:83(3) BW dat een wettelijke bepaling in overdraagbaarheid voorziet. Artikel 13 BTMW - tegenwoordig artikel 3.25 BVIE - bepaalt dat het uitsluitend recht op een tekening of model kan overgaan. Daarmee kan men stellen dat ook voor een Gemeenschapsmodelrecht aan de eis van artikel 3:83(3) BW is voldaan, met name ook omdat de basis voor dat artikel ‘in nevelen gehuld is’ en er geen zwaarwegende belangen op de tocht komen te staan als men die eis ‘rekkelijk’ invult. Daar is veel voor te zeggen en het getuigt van het voor een goede rechtsbedeling ook noodzakelijke praktisch inzicht, maar is niet noodzakelijkerwijs ‘cassatie-proof’. Artikel 13 BMTW c.q. artikel 3.25 BVIE bepaalt niet in ruime bewoordingen dat het modelrecht kan overgaan, maar bepaalt dat alleen maar ter zake van het uitsluitend recht op een tekening of model. Dat uitsluitend recht op een tekening of model van artikel 13 BTMW c.q. artikel 3.25 BVIE wordt ingevolge - respectievelijk - artikel 3(1) BTMW en artikel 3.5 BVIE - (slechts) - verkregen door de inschrijving van het depot, verricht binnen het Benelux -gebied bij het Bureau (Benelux-depot), of verricht bij het Internationaal Bureau (internationaal depot). Kortom, die Benelux-artikelen zien slechts op Beneluxmodelrechten en niet op Gemeenschapsmodelrechten. Of artikel 3:83(3) BW dan zo ruim mag worden uitgelegd dat via artikel 27 GMoV een analoge toepassing op Gemeenschapsmodelrechten mogelijk is en die rechten daarmee naar Nederlands vermogensrecht overdraagbaar worden, is een vraag die ik - in navolging van Assense voorzieningenrechter - ook graag bevestigend beantwoord, maar ik moet erkennen dat daar wel het nodige ‘wishful thinking’ bij komt kijken. Of dat uiteindelijk zo is, is aan de Hoge Raad om uit te maken en zolang dat niet gebeurd is, doet de praktijk er verstandig aan er niet zomaar van uit te gaan dat het Nederlandse overdraagbaarheidsprobleem voor Gemeenschapsmodelrechten de wereld uit is.
Dick van Engelen, april 2007
terug Tell-a-Friend











