1992 Corocor
IEPT19920917, Hof Den Haag, Corocor
Zoals Boekman in haar noot (BIE 1993, p. 187) aangeeft is het Hof kennelijk van oordeel dat het handelsnaamrecht geen licentie zou kennen: “het Hof doet door het gebruiken van aanhalingstekens wel blijken dat het zich bewust is van het feit dat een handelsnaamlicentie naar het systeem van de Handelsnaamwet niet bestaanbaar is, maar handelt voor het over het toch alsof in de onderhavige zaak moet worden uitgegaan van het bestaan van zulk een recht, los van de onderneming.”
Het lijkt me de vraag of dat inderdaad het geval is. De enkele omstandigheid dat de Handelsnaamwet de licentie niet behandelt, lijkt me een te magere grond om te stellen dat de handelsnaamlicentie “niet bestaanbaar” zou zijn. De omstandigheid dat artikel 2 Hnw nog steeds enkel overdraagbaarheid van de handelsnaam, tezamen met een deel van de onderneming, kent, lijkt me hier evenmin een basis voor te bieden. De praktische consequenties van een dergelijk uitgangspunt zijn bovendien nogal fors en leggen in potentie een bom onder franchisingconstructies, wanneer daarbij naast de handelsnaam niet ook een merk in licentie zou worden gegeven. Die zouden dan immers ook ‘onbestaanbaar’ zijn.
Ik zie niet goed in waarom een handelsnaamlicentie niet zou kunnen bestaan enkel omdat er geen wettelijke basis voor is aan te wijzen. De licenties die ter zake van bij wet geregelde IE-rechten verleend worden, hebben ook niet of nauwelijks een wettelijke basis. Het lijkt mij dat hooguit ter zake van de derdenwerking van de licentie een wettelijke basis misschien nodig is of uitkomst kan bieden. Dat raakt echter niet de werking van een licentie tussen partijen bij de licentieovereenkomst, zoals in deze procedure aan de orde was.
Dat lijkt ook te volgen uit het Mosterdmanneke-arrest van de Hoge Raad van 1977 (NJ 1977, 373), waarin de Hoge Raad aanvaardde dat degene die een handelsnaam niet zelf gebruikte, maar een ander contractueel het gebruik daarvan toestond, zich op de handelsnaamrechtelijke bescherming tegen die contractspartner kon beroepen. De Hoge Raad overwoog dat aldus de handelsnaam gebruikt werd door de licentiegever.
Zoals het Hof Den Haag in deze zaak overwoog waren partijen overeengekomen dat tussen hen Corocor International als de rechthebbende op de naam gold. Ofwel Corocor is in de verhouding tussen deze partijen de rechthebbende op de handelsnaam en kan daar na beeindiging van de licentie in beginsel over beschikken en een nieuwe licentienemer aanstellen, zonder dat de oude licentienemer zich daartegen kan verzetten. Daar lijkt mij binnen het kader van de contractsvrijheid ook weinig op af te dingen.
Boekman vindt de uitkomst in de Corocor-zaak kennelijk niet bevredigend omdat bij een handelsnaamlicentie de goodwill van een gehele onderneming in het geding is, terwijl dat bij een merkenlicentie anders zou liggen. Als we voor ogen houden dat de overgang tussen de handelsnaam en het dienstmerk vaak een vloeiende is, zie ik niet goed in waarom de handelsnaam hier een andere status zou dienen te hebben dan het merk als het om de verhouding tussen licentienemer en licentiegever gaat.
Al deze beslommeringen illustreren overigens nog eens te meer dat artikel 2 Hnw een volstrekt achterhaald regime bevat en de wetgever hier ernstig in gebreke is.
Dick van Engelen, maart 2007.
Zie ook: Arkenbout, 1991, p. 25 en BIE 1997, p. 6; Van Engelen,
Artikel 2 Handelsnaamwet in wetshistorisch perspectief, BIE 1994, p. 279-285 en 1994, § 8.6; Wichers Hoeth, 2000, p. 3012; Verkade 2005, T&C IE, art. 2 Hnw, aant. 5.
terug Tell-a-Friend











