1936 Das Blaue Licht
IEPT19360213, HR, Das Blaue Licht II

Dit arrest is van belang omdat het in 1936 uitmaakte dat de Berner Conventie aan verdragsonderdanen een bundel van nationale auteursrechten in de verschillende conventielanden verschaft, waarop in ieder land het daar geldende nationale auteursrecht van toepassing is.
Tevens oordeelde de Hoge Raad dat op de in 1929 in Duitsland verrichte overdracht van alle bestaande en toekomstige auteursrechten tussen de Duitse componist Becce en het Duitse GEMA, voor wat betreft de daar onderdeel van uitmakende overdracht van het Nederlandse auteursrecht Nederlands recht van toepassing zou zijn. Vervolgens concludeerde de Hoge Raad dat die overdracht uit 1929 geen effect sorteerde voor wat betreft de Nederlandse auteursrechten op de pas na 1932 gecomponeerde muziek voor de film Das Blaue Licht omdat naar Nederlands recht - d.d. 1936 - de overdracht van een toekomstig auteursrecht niet mogelijk zou zijn.
Het arrest gaat op beide punten vergezeld van een kritische noot van Meijers in de NJ.
Hij is allereerst van oordeel dat ten onrechte Nederlands recht op de overdracht van toepassing is verklaard. Hij merkt op dat de Berner Conventie daar geen regel voor geeft en lijkt alleen de voor vormvereisten geldende ‘lex regit actum’-regel van toepassing te achten. Die regel houdt in dat de vormvoorschriften van het land waar de overdracht plaatsvindt in acht genomen dienen te worden. Nu de overdracht in Duitsland plaatsvond heeft de Hoge Raad naar zijn oordeel ten onrechte artikel 2(2) Aw van toepassing geacht, mede omdat een ‘ligging bij het auteursrecht niet aan te wijzen valt’. Hij merkt ook op dat ‘voor zover beslag op auteursrechten mogelijk is (...) de inbeslagneming ter woonplaats van de rechthebbende’ kan plaatsvinden en men niet ‘in ieder tractaatland naar een onvindbare plaats van ligging’ hoeft te zoeken.
Er is naar mijn oordeel naar huidig recht dan ook geen belemmering om aan te nemen dat de overdracht van alle auteursrechten door een rechthebbende niet onderworpen hoeft te zijn aan de - al dan niet in specifieke IE-wetten neergelegde - vermogensrechtelijke voorschriften van het nationale recht van alle bij de bundel van overgedragen rechten behorende jurisdicties. Het lijkt aannemelijker - en bovendien getuigend van praktisch inzicht - om aan te nemen dat de tot zo’n bundel behorende rechten kunnen worden overgedragen met in achtneming van het door partijen (direct of indirect) gekozen recht, dan wel - bij gebreke daarvan - het recht van de woonplaats van de overdragende rechthebbende (de lex proprietas). Ik verwijs hiervoor verder naar: Van Engelen, IE&IPR, 2007, nr. 70 e.v. en nr. 339.
Ook het oordeel dat overdracht van toekomstige auteursrechten niet mogelijk zou zijn vindt geen genade in de ogen van Meijers, die spreekt over een uitspraak ‘die zozeer in botsing kan komen met de eischen van de praktijk’. Hij stelt dan dat overdracht van toekomstige auteursrechten mogelijk moet zijn indien het toekomstige ‘ werk naar inhoud en karakter voldoende bepaald is’. Aangenomen lijkt te kunnen worden dat naar huidig BW een overdracht van alle toekomstige auteursrechten van een auteur op bijvoorbeeld zijn literaire of wetenschappelijke werken, dan wel zijn gehele muziekrepertoire zeer wel mogelijk is. Zie: Van Engelen, Overdracht van toekomstig auteursrecht naar Nieuw BW, Informatierecht/AMI 1992, p. 48-49 en Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, Kluwer, Deventer, 2005, nr. 9.16.
Dick van Engelen, januari 2007
terug Tell-a-Friend











